Logo deposthoorn.nl


Foto: Jan van Es

Musica overtreft zichzelf in Mahler

Ergens in de loop van het derde deel van Mahlers vierde symfonie valt het kwartje: ik luister niet naar tachtig amateurmusici die hun stinkende best zitten te doen, maar ik luister gewoon naar de muziek. Het Haagse symfonieorkest Musica overtrof zichzelf zondag tijdens zijn winterconcert in het Scheveningse Zuiderstrandtheater.

Den Haag - Bovenstaande conclusie lijkt natuurlijk op het intrappen van een wijd openstaande deur, maar het uitvoeren van een Mahlersymfonie is voor een beroepsorkest al een opgave, die lang niet altijd met succes wordt volbracht. Amateurs hebben er een nog zwaardere kluif aan en dirigent Jos Schroevers was zich daar vooraf van bewust. “Je begint ergens, je eindigt ergens en als je dan beter eindigt dan je verwacht had, is dat een van de dingen waar je het voor doet,” zei hij in een interview met De Posthoorn. In Mahler was dat einde vást boven verwachting. Natuurlijk, Musica is het Residentie Orkest niet, kan en wil zich niet met de professionele orkesten meten, maar wat hier zondag klonk was verrassend goed.

Schroevers nam zijn musici goed bij de hand, zette alles gedegen naast en onder elkaar, gaf duidelijke inzetten aan, attendeerde de orkestgroepen op tijd op inzetten en moeilijke passages en dat leidde tot die uitvoering waarbij je soms vergat hoe knap het is wat deze muzikanten presteerden. Als toehoorder was je alleen nog met de muziek bezig.

Van alle tien Mahlersymfonieën is de vierde de meest lichtvoetige en, samen met de eerste, een van de twee die minder dan een uur uitvoeringstijd in beslag nemen. Hier geen monsterbezetting met extreme instrumenten, geen ‘fernorchester’, geen dubbel bezet koor, maar een relatief klein orkest, zonder trombones en slechts één vocale bijdrage door een sopraan. De componist bezingt er het leven in, bezien vanuit de ogen van een kind dat zich de Hemel voorstelt. Hoewel dat letterlijk in het vierde deel aan bod komt, vormt het lange, langzame derde deel het hoogtepunt van de symfonie. Hier steeg Musica boven zichzelf uit. Met name in het (snelle) tweede deel lukte dat allemaal wat minder, maar in dat derde deel, Ruhevoll, stond de muziek als een huis. Fraaie hoornsoli keerden in de hele symfonie terug. De contrabassectie, slechts vijf man/vrouw sterk, fungeerde hier als de ijzersterke ruggengraat van het orkest.

Sopraan Jeannette van Schaik had een glansrol in het slotdeel, waarvan de laatste noten in het oneindige wegvliegen.

Die glansrol vervulde de sopraan niet voor de pauze in de Vier letzte Lieder van Richard Strauss. Als Mahler het leven bezingt, doet Strauss dat in zijn zwanenzang met de dood, maar wat een schitterende dood. Toen de cyclus in 1948 werd voltooid, was de componist 84 en was zijn stijl een anachronisme. Intussen doet dat er al lang niet meer toe en de Letzte Lieder zijn misschien wel de mooiste liedcyclus met orkest uit de twintigste eeuw. Jeannette van Schaik zong de liederen met gevoel en met passie, maar met te weinig volume om zich naast het orkest staande te houden en zó hard speelde Musica niet. Het orkest liet zich meestal van zijn beste kant zien, zeker in het eerste lied (Frühling) en in het laatste (“Im Abendrot”). Bij de inzet van het derde (“Beim schlafengehen”) ging het even helemaal mis, maar Schroevers kreeg zijn troepen weer netjes in het gareel. Huiveringwekkend waren dan weer de laatste maten, waarin de piccolo de leeuweriken vertolkt die nog éénmaal opstijgen. Mooier kan de dood niet verklankt zijn en Musica gaf Strauss alle eer.

Musica keert 26 en 27 mei terug met een nieuw programma. Dan speelt het orkest werken van Grieg (I Høst), Grøndahl (Tromboneconcert) en Brahms (Symfonie no. 2).


(Jan van Es)

Reageer als eerste
Meer berichten


Shopbox