Foto:

Column Marc Tangel: Ada

De gesloten jaloezieën achter het raam van inloophuis Het Kompas aan de Apeldoornselaan, bieden de argeloze passant een troosteloze aanblik. Niet dat deze oecumenische huiskamer voor mij een regelmatig gefrequenteerd toevluchtsoord was, maar het bood nog altijd een tastbare herinnering aan Ada, die voor haar spirituele voedingsstof de weg naar dit gebedshuis wél wist te vinden.

Dit alles oogt overigens zweveriger dan ze in de omgang was, want Ada deelde haar geloofsovertuiging zelden met derden. Voor de buitenwacht was zij vooral een geboren en getogen Scheveningse, die van haart hart geen moordkuil maakte en rechtvaardigheid boven de lieve vrede stelde.

In de jaren dat mijn vrouw en ik nog verbintenisloos samenwoonden, behoorde Ada vooral tot de kennissenkring van mijn eega. Ik schudde haar pas voor het eerst de hand tijdens ons huwelijksfeest; een kaarsrechte en kordate dame, in de tweede helft vaan haar tachtiger jaren. Ze verraste ons met drie kaarsenhouders en veel gelukswensen voor de toekomst. Kort daarop verruilde Ada haar portiekwoning aan de De La Reyweg voor een kamer in een verzorgingsflat aan de Harderwijkstraat, maar nog voor zij alle verhuisdozen had uitgepakt, werd van hoger hand besloten deze locatie permanent te sluiten. Gelukkig vond ze een nieuw onderkomen in de Hoenderloostraat, waar zij direct plaatsnaam in alle vertegenwoordigingscomités die de flat in huis had. "Je krijgt het op je oude dag nog drukker dan in je gloriejaren", grapte ik tijdens ons eerste bezoek na de verhuizing.

Onvermoeibaar bereikte zij haar negentigste verjaardag, maar niet lang daarna werd haar gezondheid brozer. Haar passen werden wankel, waardoor zij regelmatig op de eerste hulp belandde. "Ik weet niet of jullie mij gisteren nog hebben geprobeerd te bereiken", belde ze dan naar mijn vrouw, "maar ik was niet thuis. Ik was weer eens gevallen." Vaak gingen we dan in het weekend even op visite, waar ik haar plantjes water gaf en daarna "mooi nog iets" van een bovenste plankje kon pakken, alvorens zij uiterst kolderiek de omstandigheden rond haar meest recente misstap toelichtte. Hierbij spaarde zij zelden haar eigen ouderdomsonhandigheden, maar Ada kon ook meesterlijk uithalen naar tehuisgenoten, die er bij commotie als de kippen bij waren om quasi empathisch te informeren wat er was voorgevallen. "We hebben volgende week bonte avond en ik oefen vast mijn entree", diende ze een flatgenoot eens van repliek. Gelukkig kwam ze altijd weer thuis.

Vorig najaar ging het mis. Ada was onwel geworden en via het ziekenhuis, belandde ze in een hospice. Na een week gingen we voor het eerst op bezoek. De lange gang met de geschilderde muurtekst 'Carpe Diem' kwam nogal morbide op mij over, maar Ada bewees dat deze tekst wel degelijk gepast was. Monter en zich lavend aan liters roomijs wachtte zij, een tikje ongeduldig, op de laatste trein naar huis. Toen deze in de loop van december nog niet in zicht leek, informeerde ik voorzichtig of ze al plannen had voor het kerstdiner. Van deze gedachte moest ze echter niets hebben: "Jongeman", sprak Ada streng, "Ik ben nu 92 en ik vind het mooi geweest. Voor mij zit het erop!"

Natuurlijk kreeg ze gelijk. In haar overtuiging is Ada nu thuis, aan tafel bij haar schepper. Het is haar gegund. Maar het maakt het gemis er hier beneden niet minder op.

Meer berichten